Er is iets merkwaardigs aan de hand met onze samenleving. We zijn rijker dan vrijwel alle generaties voor ons, beschikken over meer kennis dan ooit en kunnen vanaf de bank binnen enkele minuten een nieuwe televisie, een zak kattenvoer en een elektrische tandenborstel bestellen. Desgewenst allemaal tegelijk. Toch lijkt het alsof ons collectieve humeur zich ergens tussen lichte irritatie en naderend onheil bevindt.
Alles is te duur. De overheid doet het verkeerd. Europa bemoeit zich overal mee. China pakt onze industrie af. Amerika pakt onze IT af. Buitenlanders pakken onze banen af of, afhankelijk van het moment van de dag, weigeren de banen te doen waarvoor wij zelf niet uit bed willen komen. En ondertussen willen we vooral dat alles blijft zoals het was. Alleen goedkoper.
De Chinezen deden het
Neem China. We spreken regelmatig met enige verontwaardiging over het feit dat een groot deel van onze spullen daar wordt geproduceerd. Alsof op een ochtend miljoenen Chinese fabrieksarbeiders voor onze deur stonden met de mededeling dat zij vanaf nu onze broodroosters gingen maken.
Dat is niet helemaal hoe het gegaan is. Wij wilden vooral veel spullen voor weinig geld. Bedrijven ontdekten vervolgens dat produceren in China goedkoper was en wij beloonden dat gedrag massaal aan de kassa. Want principes zijn prachtig, maar een waterkoker van €19,95 blijft natuurlijk een waterkoker van €19,95.
We hebben de uitbesteding van productie niet alleen laten gebeuren, we hebben haar mede gefinancierd. Daar zit een ongemakkelijke historische echo in. Eeuwenlang hebben rijke landen hun welvaart mede gebouwd op goedkope arbeid elders. De vorm veranderde gelukkig ingrijpend, maar het economische verlangen erachter is opvallend hardnekkig: iemand anders moet het maken, wij willen het hebben en het liefst voor een prijs waarbij je je eigenlijk zou moeten afvragen hoe dat mogelijk is. Die laatste vraag stellen we zelden.
De boer mag blijven, zolang de melk goedkoop is
Met onze boeren hebben we een vergelijkbare relatie. We vinden het Nederlandse landschap prachtig. Koeien in de wei horen erbij, boeren zijn belangrijk en voedselzekerheid klinkt bijzonder aantrekkelijk zodra iemand het woord geopolitiek laat vallen. Maar bij de supermarkt verwachten we vervolgens wel dat een liter melk ongeveer minder kost dan het karton waarin hij zit.
De boer moet duurzaam produceren, goed voor zijn dieren zorgen, biodiversiteit bevorderen, minder uitstoten, het landschap onderhouden en uiteraard een fatsoenlijk inkomen verdienen. Allemaal volkomen redelijke wensen. Alleen willen wij daar liever niet te veel voor betalen. Want drie keer per jaar op vakantie is ook belangrijk.
Daarmee wordt het gemakkelijk om naar Den Haag te wijzen. Politici hebben namelijk een bijzonder handige eigenschap: ze zijn zichtbaar. Je kunt ze de schuld geven zonder dat ze terugvragen waarom je gisteren kiloknallers, goedkope kleding en een pakketje uit China hebt besteld.
Toch is de overheid in een democratie geen buitenaardse bezettingsmacht. Het is een door ons ingericht en gekozen instituut dat, met wisselend succes, probeert iets te maken van alle tegenstrijdige opdrachten die wij haar geven.
Wij willen lagere belastingen én betere voorzieningen. Goedkoop voedsel én duurzame landbouw. Minder migratie én voldoende personeel. Minder regels én streng toezicht zodra er iets misgaat. Goedkope energie, maar geen windmolen in het uitzicht. Meer huizen, maar liever niet achter onze tuin.
Alles moet veranderen, zolang ik er niets van merk
Politiek rechts heeft daar een aantrekkelijke boodschap bij gevonden: veel problemen kunnen worden opgelost door dingen weer te maken zoals ze vroeger waren. Dat klinkt prettig. Vroeger is namelijk een buitengewoon overzichtelijke periode, vooral omdat hij niet meer bestaat.
De geschiedenis laat helaas zien dat vooruitgang meestal begint met iemand die het bestaande behoorlijk in de war schopt. Zonder verandering geen stoommachine, elektriciteit, moderne gezondheidszorg, computer of internet. Zonder internet hadden we zelfs sociale media moeten missen en hadden we ons ongenoegen nog gewoon in het café moeten uitspreken tegen iemand die kon terugpraten. Vooruitgang vraagt verandering. En verandering is vervelend.
We lijken innovatie vooral fantastisch te vinden wanneer zij ons individuele gemak vergroot. Een telefoon waarmee ik vanuit mijn stoel de verwarming kan bedienen: vooruitgang. Een verandering in mijn werk, mobiliteit, energiegebruik of consumptie omdat de wereld tegen grenzen aanloopt: betutteling. Daar zit een wonderlijke tegenstrijdigheid.
We willen dat bedrijven vernieuwen, zolang onze baan hetzelfde blijft. We willen een energietransitie, zolang de omgeving hetzelfde blijft. We willen verduurzaming, zolang consumptie hetzelfde blijft. We willen minder afhankelijk zijn van China, zolang onze spullen niet duurder worden. Zo wordt innovatie een soort verbouwing waarbij niets mag worden verplaatst. Zelfs de aannemer zal daar even van moeten gaan zitten.
Harder werken, maar bij voorkeur door iemand anders
Dan onze arbeidsmoraal. Daar wordt tegenwoordig graag streng over gesproken. Vooral over die van anderen. We zijn volgens sommigen een land geworden waarin te weinig wordt gewerkt. Daar zit een serieus vraagstuk achter. De vergrijzing neemt toe, sectoren kampen met personeelstekorten en het aantal mensen dat zorg nodig heeft groeit ten opzichte van het aantal mensen dat die zorg kan leveren.
Maar zelfs wanneer iedereen die dat kan een paar uur extra zou werken, verdwijnt de structurele spanning op de arbeidsmarkt niet ineens. We hebben mensen nodig.
En precies daar raakt de discussie in een merkwaardige knoop. We willen productie uit China terughalen naar Europa. We willen onze eigen industrie versterken. We willen meer woningen bouwen, ouderen verzorgen, goederen vervoeren, kinderen onderwijzen en digitale infrastructuur beheren. Maar arbeidsmigratie willen we liever niet. Wie al die werkzaamheden dan precies gaat uitvoeren, blijft vaak wat onduidelijk. Misschien dezelfde mensen die de goedkope waterkokers gaan maken.
Europa wil digitaal zelfstandig zijn. Maar niet te veel natuurlijk.
Diezelfde tegenstrijdigheid zie je in onze digitale afhankelijkheid van de Verenigde Staten. Regelmatig verschijnen indrukwekkende bedragen over hoeveel Europa aan Amerikaanse technologie en diensten uitgeeft. Zulke bedragen doen het uitstekend op sociale media. Zet er een miljardteken achter en vrijwel ieder bedrag krijgt vanzelf iets bedreigends.
De werkelijkheid is interessanter. In 2025 exporteerde de Europese Unie voor ongeveer €554 miljard aan goederen naar de Verenigde Staten en importeerde zij ongeveer €354 miljard. Bij goederen heeft Europa dus een fors handelsoverschot. Bij diensten is het beeld andersom. In 2024 exporteerde de EU ongeveer €343 miljard aan diensten naar de VS en importeerde zij ongeveer €522 miljard. Alles bij elkaar is de trans-Atlantische handelsrelatie daardoor veel evenwichtiger dan losse spectaculaire cijfers suggereren.
Dat betekent niet dat onze digitale afhankelijkheid onbelangrijk is. Integendeel. Amazon, Google, Meta en Microsoft beschikken over een schaal, investeringskracht en technische infrastructuur waar Europa moeilijk tegenop kan. Er bestaan uitstekende Europese alternatieven en op onderdelen kunnen die zich prima meten met Amerikaanse producten. Maar bij gebruiksgemak, integratie, schaal en de complete ervaring voor gebruikers hebben we nog werk te doen.
Veel werk. En daar komt kunstmatige intelligentie nog bij. AI vraagt enorme investeringen in datacenters, chips, energie, modellen en kennis. Wanneer Europa digitale autonomie werkelijk belangrijk vindt, zullen we dus meer moeten doen dan verklaren dat digitale autonomie belangrijk is.
We zullen moeten investeren, samenwerken en risico nemen. En misschien zelfs accepteren dat niet ieder Europees land zijn eigen kleine digitale koninkrijkje nodig heeft. Dat laatste zou nog wel eens de grootste technologische uitdaging kunnen blijken.
Rechtsaf naar vroeger
En daarmee komen we bij onze politieke buiging naar rechts. Ik ben niet bijzonder geïnteresseerd in het etiket links of rechts. Ideeën worden niet beter omdat ze aan een bepaalde kant van een parlementaire zaal worden uitgesproken. Wat mij wel verbaast, is de aantrekkingskracht van politieke verhalen waarin complexe problemen worden teruggebracht tot eenvoudige oorzaken. Migratie, Europa, klimaatbeleid, China, de elite en de overheid.
Het zijn aantrekkelijke schuldigen omdat ze één groot voordeel hebben: jij bent het zelf niet. Misschien is dat wel de grootste verleiding van het huidige politieke klimaat. Niet dat rechts per definitie verkeerde vragen stelt. Zorgen over migratie, bestaanszekerheid, bureaucratie, veiligheid en verlies van grip zijn reëel en verdienen serieuze antwoorden.
Het probleem ontstaat wanneer het antwoord steeds luidt dat iemand anders moet veranderen. Want misschien is onze grootste uitdaging niet dat de wereld te snel verandert. Misschien is het dat wij zelf niet mee willen veranderen.
We verlangen naar goedkope producten, hoge lonen, ruime woningen, goede zorg, lage belastingen, drie vakanties, goedkope energie, een schone leefomgeving, voldoende personeel, minder migratie, economische groei en onafhankelijkheid van China en Amerika. Dat is geen politiek programma maar een verlanglijstje voor Sinterklaas. En zelfs die heeft personeel uit het buitenland nodig.
Misschien is minder wel vooruitgang
De interessantste beweging zie ik daarom niet noodzakelijk in Den Haag of Brussel, maar dichter bij huis. Er groeit een generatie op voor wie bezit minder vanzelfsprekend lijkt. Tweedehands kleding is niet per definitie armoedig. Delen kan praktischer zijn dan bezitten. Een gerepareerd apparaat hoeft niet vervangen te worden omdat er inmiddels een model bestaat met drie camera’s extra en een knop waarvan niemand precies weet waarvoor hij dient.
Dat betekent niet dat jongeren onze planeet vanzelf gaan redden. Ook zij bestellen pakketjes, vliegen en kijken filmpjes op datacenters die bepaald niet op goede bedoelingen draaien. Maar er lijkt wel ruimte te ontstaan voor een andere definitie van vooruitgang. Misschien af en toe genoeg.
Dat laatste woord zijn we een beetje kwijtgeraakt. Genoeg is een merkwaardig woord in een economie die grotendeels draait op de gedachte dat je morgen iets moet willen wat je vandaag nog niet miste.
Interessante tijden
De komende jaren worden ingewikkeld. Klimaatverandering, geopolitieke spanningen, migratie, vergrijzing, personeelstekorten, kunstmatige intelligentie en verschuivende economische machtsverhoudingen zullen niet verdwijnen omdat wij vinden dat vroeger overzichtelijker was. We zullen moeten veranderen.
Daarbij hoort kritisch zijn op overheid en instituties. Macht moet bevraagd worden. Europa moet nadenken over zijn strategische afhankelijkheden. Bedrijven mogen aangesproken worden op hun verantwoordelijkheid en politici op de gevolgen van hun keuzes. Maar daar hoort nog iets bij wat aanzienlijk minder populair is. De spiegel.
Want een samenleving is uiteindelijk geen ding dat anderen voor ons organiseren. Zij ontstaat uit miljoenen dagelijkse keuzes over wat we kopen, wat we eten, hoeveel we gebruiken, wat we weggooien, welk werk we waarderen, wat we bereid zijn daarvoor te betalen en hoeveel ongemak we accepteren wanneer verandering noodzakelijk is.
Vrijheid zonder verantwoordelijkheid is uiteindelijk weinig meer dan eisen dat iemand anders de rekening betaalt. Misschien hoeven we daarom niet linksaf en ook niet rechtsaf. Misschien moeten we eerst eens recht vooruit kijken en ons afvragen hoeveel genoeg eigenlijk is.
Interessante tijden.







